Het verhaal van oom Pieter



Het onderzoek is afgerond. Ik moet het nog uitwerken, maar daar zijn de wintermaanden voor.

Dus: nog even geduld!

 

 


Woensdag 14 april 1925

Verhoor  door Rechter-commissaris en Officier van Justitie in hert gemeentehuis te Stadskanaal:

“In den avond van 13 april 1925 ben ik geweest in het cafe van Wever te Musselkanaal/Onstwedde. Ik was in gezelschap van Auke van Dijken en Arent Raatjes. Ik heb daar wat gedronken. ’s Nachts om een uur werd het cafe gesloten en kwamen twee veldwachters. Van ėėn dezer veldwachters kreeg ik een duw. Ik ben toen het cafė uitgelopen. Ik heb mij toen op het midden van de weg te slapen gelegd bij de Mond. Ik weet nog wel dat een veldwachter mijn zakken nagevoeld heeft, of dat voor of na mijn dutje geweest is, weet ik niet. Ik heb dien avond helemaal niet geschoten. Bij een woonwagen ben ik niet geweest, ik heb dien avond geen woonwagen gezien. Schieten heb ik in’t geheel niet gehoord, ofschoon ik niet doof ben. Ik heb ook niet tegen Raatjes gezegd dat ik een schot gelost had. Ik was slim dronken en weet niets meer”.  


Woensdag 14 april

Als Pieter klaar staat voor transport naar het Huis van Bewaring in Winschoten, bekende hij de burgemeester: “Ik heb veldwachter Broekema met een revolver geschoten. De revolver heb ik thuis bij mijn ouders verborgen”.  


Donderdag 15 april

Verhoor door Rechter-commissaris en substituut-griffier van de rechtbank te Winschoten:

“Op 2e Paasdag, 13 april 1925, ben ik omstreeks 8 uur naar het feestterrein gegaan bij het cafė Wever te Musselkanaal. Ik had toen nog geen sterken drank gebruikt, alleen ’s middags een paar glaasjes bier. ’s Middags om ongeveer 6 uur had ik een revolver meegenomen, die geladen was met 4 of 5 scherpe patronen. Ik heb deze zonder bepaalde gedachten bij mij gestoken. Ik had de revolver gekocht ongeveer 1½ jaar geleden in Duitschland. Ongeveer 6 á 7 weken geleden ben ik te Nieuw …..mond door een jongen gestoken omdat ik met een meisje vandaar was uitgeweest. Die steek was niet zo ernstig, ik heb de wond zelf verbonden. Ik heb geen aangifte bij de politie gedaan. Mijn ouders wisten er wel van af. Zij hebben gezien dat ik mijn been, het rechterbovenbeen, verbond. Op het feestterrein heb ik een goed potje bier gedronken. Ik kan mij niet herinneren dat ik kort voor het sluitingsuur buiten het cafė ben geweest.. Ik heb toen niet geschoten. Om 1 uur kwamen twee veldwachters, die het cafė ontruimden. Ik kreeg een duw van ėėn van de veldwachters. Ik ben toen buiten het cafė gekomen. Ik heb toen mijn revolver, dat met scherpe patronen geladen was, getrokken en twee schoten gelost in de richting van het cafė. Wie of daar stonden heb ik niet gezien en ik heb ook niet gemerkt dat ik iemand geraakt heb. Eerst ben ik een eindje in de richting van mijn huis gegaan, daar kwam Raatjes bij ons. Met dezen ben ik weer teruggelopen tot bij het huis van Rubing. Daar was Van Dijken ook. Ik hoorde iemand zeggen; daar komt de politie aan. Ik ben toen even bij Van Dijken en Raatjes weggelopen en heb mijn revolver gegooid onder den woonwagen, staande tusschen de percelen van Wever en Rubing. De gemeenteveldwachter is toen bij ons gekomen en heeft onze zakken nagevoeld.  De veldwachter is toen weggegaan en ik heb toen met Van Dijken samen weer naar mijn revolver gezocht. Van Dijken heeft de revolver gevonden en aan mij gegeven, ik heb deze toen in mijn zak gestoken. Ik ben toen met Van Dijken en Raatjes een eindje gegaan in de richting van mijn woning en ik heb toen met hen nog wel over het schieten gesproken. Raatjes is toen van ons weggegaan en ik ben met Van Dijken naar mijn huis doorgelopen. Ik heb thuis mijn revolver op een laag muurtje neergelegd en vervolgens ben ik in huis aan een tafel gaan zitten. Ik was daar nog toen de politie mij kwam halen. Ik wist dat de revolver geladen was en ook dat een schot met dien revolver levensgevaarlijk kon wezen. Ik heb er echter niet bij doorgedacht toen ik schoot. Ik heb den veldwachter niet zien staan voor het cafė. De rijksveldwachter Broekema kende ik tevoren niet en ik had niets tegen hem”.  


Vrijdag 27 april 1925

Verhoor door Rechter-commissaris en substituut-griffier van de rechtbank te Winschoten:

“Mij is betekend een bevelschrift dezer Rechtbank d.d. 17 april 1925. (gevangenhouding) U leest mij dit stuk voor en ik begrijp den inhoud daarvan wel. Ik herinner mij thans niet meer dat ik in den nacht van 13 op 14 april 1925 te Musselkanaal geschoten heb. Ik herinner mij nog wel dat ik dien nacht een revolver bij mij had die met 4 scherpe patronen geladen was; en dat ik, vóórdat de veldwachter mijn zakken navoelde dien revolver weggegooid heb; dat ik hem later weer in mijn zak heb gestoken, en nog later thuis dat revolver op een muurtje heb gelegd. Ik weet wel dat ik U op 15 april 1925 verklaard heb dat ik twee keer geschoten heb in den nacht van 13 op 14 april 1925. Maar waarom ik dat verklaard heb, herinner ik mij niet”.  


24 mei 1925

Verhoor door Rechter-commissaris en substituut-griffier van de rechtbank te Winschoten:

“Ik kan mij herinneren dat ik den avond van 2e Paasdag geweest ben in het cafė van Weever te Musselkanaal en dat ik toen een revolver met scherpe patronen geladen bij mij had. Waarom ik die revolver bij mij had weet ik niet; ik had er geen bedoeling mee. Ik ben toen bij het sluitingsuur het cafė uitgeslagen door een veldwachter. Ik vond dit nogal erg; ik stond toen buiten. Het werd mij toen duister voor de oogen en wat er verder gebeurd is weet ik niet. Dat ik bij den burgemeester bekend heb dien avond met een revolver geschoten te hebben herinner ik mij niet. ’t Kan wel wezen dat ik aan den burgemeester gezegd heb waar ik den revolver had neergelegd. Ik weet er niets meer van dat ik aan U verklaard heb dat ik met een revolver geschoten heb op 2e Paasmaandag te Musselkanaal”.  


Vrijdag 30 oktober 1925

Terechtzitting Arrondissementsrechtbank te Winschoten:

“Ik kan mij er niets van herinneren, dat ik op 14 april 1925 op den rijksveldwachter Broekema geschoten zou hebben bij het cafė Wever te Musselkanaal. Het is ook niet mogelijk, want ik heb geen revolver gehad. Ik weet el dat ik bij genoemd cafė ben geweest en dat Van Dijken er ook was. Ik herinner mij niet dat Raatjes er bij was, of dat ik dezen toen gesproken heb. Ik heb op dien avond ook geen revolver van getuige Van Dijken teruggekregen, dat deze onder een woonwagen gevonden zou hebben. Ik weet er ook niets van dat ik veldwachter De Vries daar gezien heb en dat deze mijn zakken heeft nagevoeld. Wat er met mij gebeurd is, nadat ik uit het cafė ben gekomen, weet ik niet meer. Ik was niet van plan om veldwachter Broekema van het leven te berooven. Ik hoor voorlezen mijn verklaring aan den Rechter-Commissaris afgelegd; ik kan mij er echter niets van herinneren, dat ik die verklaring heb afgelegd en geteekend”.  


Donderdag 24 december 1925 10 uur

Hoger Beroep Gerechtshof te Leeuwarden:

“In den nacht van 13 op 14 april 1925 heb ik mij bevonden in het cafė Wever te Musselkanaal. Toen dit cafė door de politie werd ontruimd heb ik enige klappen gekregen. Ik ben daarop kwaad op de politie geworden. Daarop heb ik mijn met kogelpatronen geladen revolver in de hand genomen. Wat voor gedachten ik daarbij had ten opzichte van den veldwachter – tegenover wien ik persoonlijk generlei veete had – weet ik niets. Toen Broekema, de veldwachter, buiten kwam heb ik uit bedoelde revolver een schot gelost. Ik had die revolver in Duitschland gekocht en droeg die zonder enigerlei bedoeling op zak. Toen de revolver was afgegaan heb ik dat ding weggegooid en ben van schrik op de vlucht gegaan”.

 

Pieter is vervolgens in de gevangenis te Leeuwarden opgesloten om zijn straf van vijf jaar uit te zitten. Volgens mij is hij tijdens of na het uitzitten van zijn straf overgeplaatst naar het psychatrisch ziekenhuis, Dennenoord te Zuidlaren, alwaar hij in 1948 is overleden. Naar dit gebeuren zal ik nog een onderzoek instellen.

 

 

Naar boven
Terug